Terug
|
Home
Fijne motoriek
Naam Kind
2mnd
Fijne motoriek
test
Aandacht hebben en luisteren
5
test
Socialisering en Spel
5
test
Kijken
5
test
Grijpen
5
test
Object-permanentie
5
test
Vóór het lopen
5
test
Vaardigheden op het gebied van aandacht
5
test
De beurt nemen
5
test
Imiteren
5
test
Reageren op gebaren en eenvoudige opdrachten
5
test
Eten en drinken
5
test
Manier waarop het kind zijn preverbale communicatie gebruikt.
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.1 eenwoordstadium.
5
test
Problemen oplossen en puzzels
5
test
Handvaardigheid
5
test
Tekenen
5
test
Omgang met boeken
5
test
Balanceren, lopen, rennen
5
test
Kiezen tussen alernatieven: voorwerpen afbeeldingen
5
test
Aan- en uitkleden
5
test
Traplopen en klimmen
5
test
Bij elkaar zoeken en sorteren
5
test
Zindelijkheidstraining
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.6 Grammaticale aspecten: einde eenwoordstadium.
5
test
Vaardigheden met een bal
5
test
Springen
5
test
Rijden op een driewielier
5
test
Voorwerpen loslaten en neerzetten
5
test
Uitvoeren van opdrachten: Plaatsaanduideling
5
test
Uitvoeren van opdrachten: Eigenschappen
5
test
Uitvoeren van opdrachten: Actiewoorden
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.2 Zinnen.
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.3 De betekenissen die het kind kan uitdrukken: eenwoordstadium.
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.4 De betekenissen die het kind kan uitdrukken: tweewoordenstadium.
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium: 3.6 Grammaticale aspecten: einde tweewoordstadium.
5
test
Taal leren aan een kind in het verbale stadium 3.5
5
test
Bij elkaar zoeken sorteren en kiezen
5
test
Wassen en lichaamsverzorging
5
test
Rijden op een driewieler
5
test
Uitvoeren van opdrachten: Actiewoorden
5
test
Kiezen tussen alternatieven:voorwerpen, afbeeldingen
5
test
Reageren op gebaren en eenvoudige opdrachten
5
test
3 woord stadium eind grammatica
5
test
Drie woord stadium midden grammatica
5
test
Schoolkind
5
test
Test
5
Aandacht
Vraag
ja
-
?
-
nee
Het kind reageert op een stem met een schokje of een verandering in het gedrag
Het kind draait in de richting van een stem (en ziet waar die vandaan komt)
Het kind lacht of maakt geluidjes naar aanleiding van praten of aanraken.
Het kind verwacht te worden opgetild door zijn armpjes of beentjes te bewegen of zijn hoofdje op te tillen.
Het kind draait de ogen naar een voorwerp en houdt ze daar enkele seconden op gericht
Het kind kijkt naar een klein voorwerp.
Het kind houdt een rammelaar vast die in zijn hand wordt gestopt.
Het kind reikt met beide handen naar een voorwerp.
Het kind blijft kijken naar een punt waar een voorwerp is verdwenen.
Het kind heft in builigging het hoofdje tot een hoek van 45 graden op en handhaaft die positie.
Het kind heft in buikligging en steunend op de onderarmpjes het hoofdje op tot een hoek van 90 graden.
Het kind brengt in rugligging de handen naar de knieën.
Het kind steunt in buikligging op zijn gestrekte armen.
Het kind rolt vanuit rugligging op zijn buik.
Het kind kijkt voor een hele korte periode naar je gezicht wanneer je tegen hem praat.
Het kind kijkt naar een voorwerp dat je op 30 cm afstand van zijn gezicht houdt.
Het kind kan de beurt geven tijdens het spelen.
Het kind kan geluiden imiteren.
Het kind verandert van gezichtsuitdrukking in reactie op vriendelijke of boze stemmen
Het kind verandert van gezichtsuitdrukking in reactie op de gezichtsuidrukking van een volwassene.
Het kind drinkt met hulp uit een beker.
Het kind pakt twee voorwerpen op en houdt deze vast.
Het kind verwijdert een obstakel om een voorwerp te pakken.
Het kind komt vanuit buikligging tot zithouding.
Het kind gaat vanuit zithouding over tot kruiphouding.
Het kind gaat van stand over tot zit op de grond door zicht te laten vallen.
Het kind draait zijn ogen en hoofd om te zien waar je bent wanneer je roept.
Het kind kan de beurt nemen met handen wassen.
Het kind kan imiteren van handelingen.
Het kind kan twee lettergrepen geluidjes maken.
Het kind maakt herkenbare geluidjes of gebaren wanneer er een bekend persoon in zijn blikveld verschijnt.
Het kind kan groeten bij het weggaan.
Het kind kan informatie delen met een ander.
Het kind vindt een bekend voorwerp waarvan de naam genoemd wordt.
Het kind kiest een benoemde afbeelding (4 keuzemogelijkheden).
Het kind zit ongeveer 1 min. stil in een babystoeltje en houdt zijn aandacht op jou of een voorwerp gericht.
Het kind tijdens de maaltijd aangeven wanneer het jouw beurt is te eten.
Het kind kan de bewegingen van het gezicht van een volwassene imiteren.
Het kind laat merken als het door een volwassene gerust gesteld wilt worden.
Het kind kent namen van personen, dieren en geluiden.
Het kind pakt een voorwerp uit een schaal
Het kind duwt tegen een speelgoedtreintje of -auto.
Het kind past twee nestbekers in elkaar.
Het kind doet het trekken van een verticale lijn na.
Het kind bekijkt een boekje, samen met een volwassene.
Het kind gaat vanuit stand weer op de grond zitten en gebruikt daarbij één hand om te steunen op een meubelstuk.
Het kind speelt met de bal door de bal over te rollen/ terug te duwen.
Het kind eet met de handen. (kleine stukjes voedsel)
Het kind loopt achter een loopkar.
Het kind vindt een verborgen voorwerp onder één van de twee stukjes stof.
Het kind helpt bladzijden om te slaan.
Het kind keert een flesje om, om een rozijn te pakken te krijgen, nadat het is voorgedaan.
Het kind kiest een benoemd voorwerp (twee keuze mogelijkheden).
Het kind kauwt gewoon voedsel (dat klein gesneden is).
Het kind trekt de sokjes uit en zet de muts af.
Het kind slooft zich uit om de aandacht van volwassen te trekken.
Het kind kijkt gedurende tenminste twee minuten (samen met jou) naar een voorwerp of een plaatje.
Het kind kan tijdens de maaltijd aangeven wanneer het jouw beurt is om te eten.
Het kind kan praten met een vragende intonatie.
Het kind kan diensten weigeren.
Het kind gebruikt woorden om dingen te vragen die hij wilt hebben.
Het kind loopt met hulp over een 30 cm brede plank op de grond.
Het kind loopt de traf op met één hand aan de leuning en zijn andere hand vastgehouden; trekt zijn tweede voet bij (twee voeten per trede).
Het kind zoekt identieke voorwerpen bij elkaar (geen keuzemogelijkheid).
Het kind slaat de bladzijden van een gewoon boekje één voor één om.
Het kind past vier nestbekers in elkaar.
Het kind doet dubbelvouwen van een vel papier na.
Het kind wijst op verzoek drie ledematen van zichzelf aan.
Het kind kiest een benoemd voorwerp uit een serie van vier.
Het kind trekt zelf een broekje uit.
Het kind eet met een lepeltje zonder te knoeien.
Het kind is tijdens de dag behoorlijke perioden droog.
Het kind verdedigt zijn eigen bezittingen.
Het kind kan spelen met geluiden.
Het kind gebruikt woorden terwijl het iets aan iemand anders aanbiedt of geeft.
Het kind gebruikt regelmatige meervoudsuitgang -en.
Het kind trekt een stukje speelgoed op wieltjes aan een touwtje achter zich aan.
Het kind slaat de baldzijden van een kartonnen boekje om.
Het kind stopt een vierkant in een vormenbord (geen keuzemogelijkheid).
Het kind kiest een benoemd voorwerp (drie keuze mogelijkheden).
Het kind werkt mee bij het aan- en uitkleden door de ledematen te bewegen.
Het kind draait een plaatje of boekje met de goede kant nar zich toe als het onderste boven of achterste voren wordt aangeboden.
Het kind kan meer woorden dan mama en papa zeggen.
Het kind laat merken door middel van aan je kleren te trekken dat hij opgepakt wilt worden.
Het kind laat d.m.v. woorden weten dat het iets niet wilt.
Het kind stapt tijdens het lopen over obstakels.
Het kind loopt de trap op, trekt zijn tweede voet bij, terwijl het de leuning vasthoudt.
Het kind gooit van dichtbij een balletje onderhands in een mand.
Het kind springt zonder hulp op de plaats, de voeten uit elkaar.
Het kind zet de voeten op de trappers wanneer het geduwd wordt.
Het kind bouwt een toren van 8 blokken.
Het kind rijgt vier grote kralen aan.
Het kind houdt een krijtje met de vingers vast.
Het kind wijst op details in een prentenboek.
Het kind maakt een instoppuzzel met zes stukjes.
Het kind zoekt afbeeldingen bij elkaar, keuze uit twee.
Het kind luistert 10 minuten naar een verhaaltje dat alleen aan hem of haar verteld wordt.
Het kind zet een voorwerp op verzoek ergens in.
Het kind kiest op verzoek het grote van een groot en een klein voorwerp.
Het kind wijst tien benoemde lichaamsdelen aan.
Het kind voert een opdracht van twee woorden uit (3 keuzemogelijkheden voor de voorwerpen en 4 voor de uit te voeren handelingen).
Het kind geeft met woorden aan dat het op de pot moet.
Het kind doet mee met liedjes en rijmpjes zowel vocaal als wel met handelingen.
Het kind drinkt door een rietje.
Het kind trekt zijn eigen schoentjes aan.
Het kind kan een simpele opdracht uitvoeren.
Het kind biedt diensten aan.
Het kind gebruikt actiewoorden.
Het kind gebruikt herhalingszinnen.
Het kind gebruikt persoonlijke voornaamwoorden ik, jij.
Het kind loopt 3 meter op zijn tenen
Het kind loopt zonder hulp over een smalle streep
Het kind draagt spullen de trap op en af
Het klimt een ladder van drie meter op en af
Het kind rent en schopt de bal voor zich uit
Het kind springt zonder hulp van een onderste traptrede
Het kind springt opzij en achteruit
Het kind stuurt de driewieler met wijde bochten ergens omheen
Het kind experimenteert
Het kind vraagt informatie
Het kind kent subject + actie zinnen
Subject +actie+object zinnen
Het kind gebruikt plaatsaanduidingen (zinnen)
Het kind gebruikt herhalingszinnen
Het kind gebruikt ontkennende zinnen
Het kind gebruikt attributieve zinnen
Het kind gebruikt bezitster aanduidingen.
Het kind gebruikt aanwijzende zinnen
Het kind stelt "W" vragen
Het kind stelt ja/nee vragen
Het kind gebruikt het woord :"niet".
Het kind gebruikt persoonlijke voornaamwoorden (hij,zij)
Het kind gebruikt onregelmatige meervouden
Het kind gebruikt bezittelijke voornaamwoorden
Lidwoorden de,het en een in verbinding met een zelfstandig naamwoord
Het kind gebruikt toekomende tijd
Het kind gebruikt verbuigingen van het koppelwerkwoord :"zijn".
Hulpwerkwoorden:ben,is en zijn.
Het kind gebruikt verleden tijd
Het kind rijgt vier kralen aan
Het kind maakt een kleurpatroon van vier blokken
Het kind knipt een strook van 2 cm breed door.
Lijm aan de achterkant van een figuur smeren en opplakken
Een plusteken na tekenen
Een V-vorm tekenen
Arm of been aan onvolledig poppetje tekenen
Legpuzzel van zes aaneensluitende stukjes
Bouwen van een brug nadoen.
Mechanisme van speelgoed in werking zetten.
Drie vormen kiezen
Vier kleuren bij elkaar zoeken
Twee maten sorteren
Naar categorie voorwerpen sorteren
Kleuren kiezen
Zelf billen afvegen
De WC. Doortrekken.
Alleen naar de WC. Gaan.
Zelf tanden poetsen.
Zelf neus afvegen
Handen en gezicht wassen
Kind zet de voeten op de trappers als hij geduwd wordt
Pak een beer en ga op de stoel zitten
Benoemen van lichaamsdelen
Kiezen naar categorie: voedingsmiddelen
Kies tussen lang en kort
Wat zie ik
Wat valt op
Testen
Vraag
-- - + ++
|||